uitbreken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·bre·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van breken met het voorvoegsel uit-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitbreken
brak uit
uitgebroken
klasse 4 volledig

Werkwoord

uitbreken

  1. (ergatief) zichzelf bevrijden uit gevangenschap
    De paarden waren uitgebroken uit de stal.
  2. (ergatief) plotseling beginnen van een oorlog, ramp, ziekte e.d
    In 1967 stond de Derde Wereldoorlog op het punt om uit te breken.
  3. (overgankelijk) het verwijderen van een deel van een gebouw, zoals een muur of een vloer
    Deze muur wordt uitgebroken en er wordt een stuk aangebouwd aan de keuken.
Vertalingen