onderbreken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·der·bre·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
onderbreken
onderbrak
onderbroken
klasse 4 volledig

Werkwoord

onderbreken

  1. overgankelijk actie ondernemen om een in gang zijnd proces tot staan te brengen
    • De voorzitter onderbrak de verhitte discussie met een verwijzing naar de beperkte tijd die beschikbaar was. 
    • Als er niet zo veel herrie was geweest, had hij kunnen nadenken over wat hem dwarszat, maar de krijsende fluittonen volgden elkaar op, onderbroken door explosies die je van hoofd tot voeten door elkaar schudden. [1] 
     's Nachts droomde hij ook af en toe van het leven op de Hardangervidda en soms wanneer hij half slapend zijn voeten op de ijskoude plankenvloer zette om uit bed te komen voor een activiteit die mannen van zijn leeftijd dwong om de diepste slaap of de aangenaamste dromen te onderbreken, voelde het alsof hij er nog steeds was.[2]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 15
  2. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628142
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be