breker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bre·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord breker brekers
verkleinwoord brekertje brekertjes

Zelfstandig naamwoord

breker m

  1. een persoon die iets breekt
    • "De breker betaalt" was de conclusie van de kabinetscrisis van '89. 
  2. een golf in de branding waarvan de top over de basis heenvalt
    • De storm van de vorige dag verzoorzaakte prachtige brekers aan het strand. 
  3. een apparaat waarmee grote brokken vaste stof in kleinere stukken gebroken worden
    • Deze mobiele breker vindt gretig aftrek. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be