afbreken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·bre·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afbreken
brak af
afgebroken
klasse 4 volledig

Werkwoord

afbreken

  1. overgankelijk met de grond gelijk maken
    • Het huis werd compleet afgebroken. 
     Bij zonsopkomst was iedereen druk in de weer om het kampement weer af te breken.[1]
     Afbreken contra opbouwen. Kwaad tegen goed.[2]
  2. overgankelijk voortijdig beëindigen
    • Als een dam-, schaak- of go-partij niet binnen de afgesproken speeltijd beëindigd is, kan deze worden afgebroken. 
  3. overgankelijk door breken scheiden
    • Ouweneel pleit er ook voor dat we bij de viering van het avondmaal van één geheel brood ieder telkens een stukje afbreken. 
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Middelnederduits

Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afbreken

  1. afbreken; door breken scheiden
Overerving en ontlening


Nedersaksisch

Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Middelnederduitse afbreken

Werkwoord

afbreken

  1. afbreken; door breken scheiden
  2. afbreken; met de grond gelijk maken
Schrijfwijzen
Synoniemen
  1. daalriten, daalrieten


Oost-Fries

Werkwoord

afbreken

  1. afbreken; door breken scheiden