afbreken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·bre·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afbreken
brak af
afgebroken
klasse 4 volledig

Werkwoord

afbreken

  1. overgankelijk met de grond gelijk maken
    • Het huis werd compleet afgebroken. 
     Bij zonsopkomst was iedereen druk in de weer om het kampement weer af te breken.[1]
     Afbreken contra opbouwen. Kwaad tegen goed.[2]
  2. overgankelijk voortijdig beëindigen
    • Als een dam-, schaak- of go-partij niet binnen de afgesproken speeltijd beëindigd is, kan deze worden afgebroken. 
     „Dank jullie wel. Het is goed dat jullie gekomen zijn,” zegt Distel na 120 seconden. De groep mensen gaat uiteen. Anderen pakken hun afgebroken gesprek weer op. Brandweermannen brengen een groet. Een witte auto start zijn dieselmotor en rijdt weg. De burgemeester hurkt voor het monument en kijkt naar de namen.[3]
  3. overgankelijk door breken scheiden
    • Ouweneel pleit er ook voor dat we bij de viering van het avondmaal van één geheel brood ieder telkens een stukje afbreken. 
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  3. Bronlink geraadpleegd op 13 mei 2022 Weblink bron Maarten Schoon “Burgemeester Roelof Bleker herdenkt vuurwerkramp Enschede in stilte: ‘Goed om hier zoveel mensen te zien’” (13 mei 2022), Tubantia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Middelnederduits

Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afbreken

  1. afbreken; door breken scheiden
Overerving en ontlening


Nedersaksisch

Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Middelnederduitse afbreken

Werkwoord

afbreken

  1. afbreken; door breken scheiden
  2. afbreken; met de grond gelijk maken
Schrijfwijzen
Synoniemen
  1. daalriten, daalrieten


Oost-Fries

Werkwoord

afbreken

  1. afbreken; door breken scheiden