breed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • breed
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘wijd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 851 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen breed breder breedst
verbogen brede bredere breedste
partitief breeds breders -

Bijvoeglijk naamwoord

breed

  1. van grote afmeting in de zijdelingse richting
    • Zo'n Hummer is wel een erg brede auto. 
     Gespannen zette ik mijn tent op: om mezelf af te leiden en dieren af te schrikken begon ik hard te fluiten en ik wierp af en toe een blik op de brede vallei onder me.[2]
     'Dit kan dus niet,' mompelde hij toen hij de bedragen las. Toen Jeroen de bedragen nogmaals bij elkaar optelde, kwam hij echter tot dezelfde eindconclusie. 'Dit kan dus wél. ' De glimlach op zijn gezicht werd breder.[3]
  2. het ~ hebben: welvarend zijn
    • Zij hadden het niet zo breed in die akelige tijd. 
  3. bij een rechthoek de lengte van de korte zijde
    • het huis is 10 meter lang, 6 meter breed en 5 meter hoog. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "breed" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Afrikaans

Uitspraak
stellend attributief vergrotend overtreffend
breed breë breër breedste

Bijvoeglijk naamwoord

breed

  1. breed
    «Botman het gesê hy neem kennis dat die bespreking nou nie meer primêr oor die US gaan nie, maar oor die breër saak van Afrikaans in die hoër onderwys in ’n grondwetlike konteks.»
    Botman zei dat hij er kennis van genomen had dat de discussie nu niet meer in de eerste plaats over de Universiteit van Stellenbosch ging, maar over de bredere zaak van het Afrikaans in het hoger onderwijs binnen een grondwettelijke context.