breed

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • breed
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen breed breder breedst
verbogen brede bredere breedste
partitief breeds breders -

Bijvoeglijk naamwoord

breed

  1. van grote afmeting in de zijdelingse richting
    Zo'n Hummer is wel een erg brede auto.
  2. het ~ hebben: welvarend zijn
    Zij hadden het niet zo breed in die akelige tijd.
Vertalingen
Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.


Afrikaans

stellend attributief vergrotend overtreffend
breed breë breër breedste

Bijvoeglijk naamwoord

breed

  1. breed
    «Botman het gesê hy neem kennis dat die bespreking nou nie meer primêr oor die US gaan nie, maar oor die breër saak van Afrikaans in die hoër onderwys in ’n grondwetlike konteks.»
    Botman zei dat hij er kennis van genomen had dat de discussie nu niet meer in de eerste plaats over de Universiteit van Stellenbosch ging, maar over de bredere zaak van het Afrikaans in het hoger onderwijs binnen een grondwettelijke context.