strobreed

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stro·breed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord strobreed
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

strobreed o

  1. in: geen ~ in de weg leggen: op geen enkele wijze hinderen
    • Hem zal daarbij geen strobreed in de weg gelegd worden. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.