breedsprakig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • breed·spra·kig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen breedsprakig breedsprakiger breedsprakigst
verbogen breedsprakige breedsprakigere breedsprakigste
partitief breedsprakigs breedsprakigers -

Bijvoeglijk naamwoord

breedsprakig

  1. heel veel woorden kunnen gebruiken tijdens het spreken
    • Na een kwartier had de breedsprakige man nog steeds niet verteld wat nu eigenlijk de bedoeling was. 

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
62 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be