bes

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Bes


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bes
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘kleine vrucht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350 [1]
  • In de betekenis van ‘oudje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1704 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord bes bessen
verkleinwoord besje besjes

Zelfstandig naamwoord

bes v/m

  1. (fruit) kleine vrucht
  2. (muziek) een met een halve toon verlaagde "b"
    • De toon “bes” klinkt in de getempereerde stemming, gelijk aan de toon “aïs”. 
  3. (muziek) de grondtoon (tonica) van de “bes-mineurtoonladder”, tevens een korte aanduiding van die toonladder
    • Op de notenbalk van een sonate in bes, staan vijf mollen. 
  4. (muziek) de grondtoon van het “bes-mineurakkoord”, de kleine drieklank op de eerste trap (tonica-akkoord) van de kleinetertstoonladder op die toon
    • De drie tonen van het bes-mineurakkoord (symbool: B♭m) in grondligging, zijn: bes - des - f. 
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Bobot

Zelfstandig naamwoord

bes

  1. zand


Catalaans

Zelfstandig naamwoord

bes m

  1. kus
Synoniemen
Afgeleide begrippen