zand

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zand
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘steenstof’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 893 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord zand zanden
verkleinwoord zandje zandjes

Zelfstandig naamwoord

zand o

  1. een losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen, schelpen, kwarts en glimmer
    • Ze lag lekker in het zand te zonnen. 
     Blijkbaar werkte mijn actie wel, dus ik schopte nogmaals wat zand waardoor de ratelslang sierlijk de struiken ingleed. Ik wachtte een paar minuten tot de kust echt veilig was.[3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zanden

zand

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zanden
    • Ik zand. 
  2. gebiedende wijs van zanden
    • Zand! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zanden
    • Zand je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

zand

  1. zand; een losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen, schelpen, kwarts en glimmer


Veluws

Zelfstandig naamwoord

zand

  1. zand; een losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen, schelpen, kwarts en glimmer