-es

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Huidig
bestand
69


Woordafbreking
  • -es
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Middel-Nederlands -esse, wat overgenomen is van het Franse -esse. Deze is ontstaan uit het Latijnse -issa (bijv. in abbatissa)[1] [2]

Achtervoegsel

-es v [3] [4]

  1. vormt de vrouwelijke vorm van een beroep of (handelende) persoon.
    • zanger → zangeres .
    • baron → barones .
    • eigenaar → eigenares .
    • diaken en diacones hebben dezelfde Latijnse oorsprong: diaconus .

-es v/m

  1. (muziek) symbool voor een toon die met een halve toon verlaagd is ten opzichte van de grondtoon
  2. (muziek) akkoordsymbool voor een accoord toon dat een (met een halve toon) verlaagde grondtoon heeft
    • G → Ges .
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Verwijzingen

  1. A. van Loey, "Schönfeld's Historische Grammatica van het Nederlands", Zutphen, 8. druk, 1970, ISBN 9003211701; § 180
  2. etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).


Latijn

Huidig
bestand
1

Achtervoegsel

-es g, soms m of v

  1. vormt zelfstandige naamwoorden van naamwoorden, hiervan de handelend persoon gevend, -er, -aar. Komt weinig voor en de afleiding is vaak verouderd of onregelmatig.
    «equusĕquĕs»
    paard → ruiter
    «pespĕdĕs»
    voet → voetganger, infanterist
    «alaālĕs»
    vleugel → vogel
    «com- + ire → (comeo) → cŏmĕs»
    samen + gaan → metgezel, begeleider
Synoniemen
Verwante begrippen
Verbuiging


Verwijzingen