bezie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • be·zie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bezie beziën
verkleinwoord bezietje bezietjes

Zelfstandig naamwoord

bézie v/m

  1. (fruit) (verouderd) besachtige vrucht
    • Marjatta, Suomi's schoonste, is de rode vrucht genaderd, reikt naar haar met tengere vingers, met de fijne vingertoppen, maar kan de bezie niet beroeren, neemt een takje van de bodem, doet de bezie nedervallen. [2]

    • Een zwerver zet zich op de zachte zoden
      Van geurig groen, die 't woud des bergs bezoomen,
      En de effen blauwe hemel doet hem droomen
      En 't mos, dat krielt van beziën, de rooden.[3]
       
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bezien

bezíé

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezien
    • Ik bezie. 
  2. gebiedende wijs van bezien
    • Bezie! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezien
    • Bezie je? 
  4. aanvoegende wijs van bezien

Gangbaarheid

53 % van de Nederlanders
58 % van de Vlamingen.

Verwijzingen