dessert

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

dessert
Uitspraak
Woordafbreking
  • des·sert
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘nagerecht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1663 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord dessert desserten, desserts
verkleinwoord dessertje dessertjes

Zelfstandig naamwoord

dessert o

  1. het (meestal zoete) gerecht waarmee een maaltijd wordt afgesloten
    • Eenmaal boven krijgen we het John Dory-menu van drie tot zes gangen (van 35,- tot 65,-) gepresenteerd, maar à la carte eten kan ook. We kiezen voor een vier gangenmenu, waarbij we ieder een ander tussengerecht nemen: makreel met witte asperges, brandade van kabeljauw met o.a. zilte groenten, een bisque van strandkrab met harder, garnaal en kokos, heilbot met dragon, boontjes, aardappel en mierikswortel en als dessert aardbei met basilicum, yoghurt en amandel. Eén van ons ruilt het dessert in voor iets héél spannends van de toetjeskaart: eendenlever met eekhoorntjesbrood, macadamia, karamel, kip en balsamico (supplement 5,-)… ja echt, dit heet een dessert! En dat is het trouwens ook, want de kip blijkt krokant gebakken kippenhuid die samen met de gekarameliseerde macadamia en de balsamico veel smaak geeft aan de paddenstoelen en de eendenlever. Zoet, zout, rond en romig tegelijk en vooral… héérlijk![2] 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen