afstand

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·stand
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afstand afstanden
verkleinwoord afstandje afstandjes

Zelfstandig naamwoord

afstand m

  1. de ruimte die zich ergens tussen bevindt
    Van hier naar de noordpool is een behoorlijke afstand.
  2. ~ doen van iets: geen aanspraak meer doen op eigendomsrechten, schenken, doneren, cessie, geven, afstaan
    Het meisje deed met moeite afstand van haar lievelings beer.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl

Meer informatie