stand

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(heteroniem)

Woordafbreking
  • stand
1-5 enkelvoud meervoud
naamwoord stand standen
verkleinwoord standje standjes
6 enkelvoud meervoud
naamwoord stand stands
verkleinwoord standje standjes

Zelfstandig naamwoord

stand v/m [1]

  1. hoe of waar iets staat, positie
    • Dat hangt van de stand van de zon af. 
    • Kun je de schakelaar s.v.p. in de stand 'midden' zetten? 
  2. sociale positie in de maatschappij, graad, rang
    • Zulk gedrag past niet bij zijn stand. 
  3. de puntentelling bij een wedstrijd of een aantal cijfers op een paneel (meter), score
    • De stand is nu drie-nul voor de Belgische dames. 
  4. berisping (alleen verkleinwoord) zie: standje
  5. (biologie) de grootte van de populatie van een soort in een bepaald gebied
    • De stand van de zeehonden en de zeeschildpadden zullen door die olieramp een geduchte knauw krijgen. 
  6. plaats op een tentoonstelling waar producten vertoond worden [2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Woordenboek der Nederlandse taal