afstandsbediening

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·stands·be·die·ning
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afstandsbediening afstandsbedieningen
verkleinwoord afstandsbedieninkje afstandsbedieninkjes

Zelfstandig naamwoord

afstandsbediening v

  1. (elektrotechniek) een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
    • De batterij van de afstandsbediening was weer eens leeg. 
     Zonder iets te zeggen ging hij op de bank zitten en pakte de afstandsbediening. Neurotisch zapte hij van de ene naar de andere zender.[1]
Hyponiemen
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2