afstandelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·stan·de·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen afstandelijk afstandelijker afstandelijkst
verbogen afstandelijke afstandelijkere afstandelijkste
partitief afstandelijks afstandelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

afstandelijk

  1. onverschillig, niet emotioneel ergens bij betrokken zijn
    • De afstandelijke houding van de norse arts stelde de patiënt niet gerust. 
     Waarom werd Martina toch met de seconde afstandelijker? Zowel in haar woordkeus als houding.[1]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be