woord

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een waard, woerd of woord.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • woord
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: wort, wart
Oudnederlands: wort
Germaans: *wurdan
Indo-Europees: *werdʰo-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: word (Angelsaksisch: word), Duits: Wort, (Oudhoogduits: wort), Fries: wurd (Oudfries: word)
Noord: Zweeds/Deens/Noors: ord, (Oudnoors: orð), IJslands/Faeröers: orð
Oost: Gotisch: waurd
enkelvoud meervoud
naamwoord woord woorden
verkleinwoord woordje woordjes

Zelfstandig naamwoord

woord m

  1. (biologie) mannetjeseend
    De mannelijke wilde eend, de woord, kenmerkt zich door de glanzende groene kop en het grijze en bruine lijf.
Schrijfwijzen
Hyperoniemen
[6] Woorden in een woordenboek.

Zelfstandig naamwoord

woord o

  1. (taalkunde) spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
    In het woordenboek vindt men de betekenis van een woord.
  2. belofte
    De koning kwam zijn belofte na en hield woord.
  3. (religie) het woord van god of de inhoud van de bijbel
    In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. (Johannes 1:1-18).
  4. (informatica) de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
  5. (dictie) de manier om iets uit te spreken
  6. (taalkunde) in de orthografie een rij schrifttekens die door spaties of leestekens worden afgegrensd
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
  • Een goed verstaander heeft maar een half woord nodig.
  • Een goed woord vindt altijd een goede plaats.
  • Een man een man, een woord een woord.
  • Wiens brood men eet, diens woord men spreekt.
Uitdrukkingen en gezegden
  • Altijd het laatste woord willen hebben.
  • Daar is geen woord Frans bij.
  • Dat is te gek voor woorden.
    • Dat gaat het voorstellingsvermogen te boven.
  • De daad bij het woord voegen.
  • Een dikke twintig woorden.
  • Een hartig woordje met iemand spreken.
  • Een vies woord.
  • Er geen woord tussen krijgen.
  • Er werden geen woorden gewisseld.
  • Ergens geen woorden aan vuil (willen) maken.
  • Geen woorden, maar daden.
  • Het hoogste woord voeren.
  • Het is te zot voor woorden.
  • Het woord nemen.
  • Het woord tot iemand richten.
  • Iemand te woord staan.
  • Iemand het woord geven.
  • Iemand op woord geloven.
  • In één woord.
  • In woord en beeld.
  • Jij haalt mij de woorden uit mijn mond.
  • Op de woorden passen.
  • Woord houden.
  • Woord terugnemen.
  • Zijn woord belofte gestand doen.
  • Zijn woord is geen evangelie.
Vertalingen

Meer informatie


Afrikaans

Zelfstandig naamwoord

woord o

  1. woord (psychologisch-taalkundige eenheid)