zwijgen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwij·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zwijgen
zweeg
gezwegen
klasse 1 volledig

Werkwoord

zwijgen

  1. (inergatief) ervan afzien te spreken
    Door die ernstige belediging zweeg de rest van het personeel even.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen