jawoord
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ja·woord
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | jawoord | jawoorden |
| verkleinwoord | jawoordje | jawoordjes |
Zelfstandig naamwoord
jawoord o
- het bevestigende antwoord op een huwelijksaanzoek
- Hij gaf haar onmiddellijk het jawoord.