jawoord

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ja·woord
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord jawoord jawoorden
verkleinwoord jawoordje jawoordjes

Zelfstandig naamwoord

jawoord o

  1. het bevestigende antwoord op een huwelijksaanzoek
    Hij gaf haar onmiddellijk het jawoord.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen