waard
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- waard
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | waard | waarden |
| verkleinwoord | waardje | waardjes |
Zelfstandig naamwoord
waard
- m (beroep) de baas van een herberg of van een taveerne
- v/m (aardrijkskunde) vlak land in een rivierengebied
- m (dierkunde) nevenvorm van "woerd" mannetjeseend
Synoniemen
- [1] herbergier, kastelein, cafébaas
- [3] woerd, woord
Vertalingen
1. de baas van een herberg of van een taveerne
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | waard |
| verbogen | waarde |
Bijvoeglijk naamwoord
waard
- predicatief: ~ zijn in geld uitdrukbaar zijn
- Dat huis is veel minder waard geworden.
- predicatief: ~ zijn anders dan financieel zijn belang hebben
- Hij is wel wat beter maar nog steeds niet veel waard.
- geacht, beste
- Waarde landgenoten!