zin
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zin
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zin | zinnen |
| verkleinwoord | zinnetje | zinnetjes |
Zelfstandig naamwoord
zin m
- (taalkunde) een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
- De meeste zinnen bevatten een gezegde en een onderwerp, vaak aangevuld met voorwerpen en bepalingen.
- een verlangen om iets te doen
- Ik heb zin in een lekkere bak koffie.
- dat wat iets betekent, waar iets voor staat
- Bedoel je het woord "vertrek" in de zin van "kamer" of in de zin van "weggaan"?
- een reden voor bestaan
- Het reilen en zeilen van van kleinkinderen gaf zijn leven ondanks alle ongemak toch zin.
Synoniemen
Antoniemen
- [3] onzin
Uitdrukkingen en gezegden
[2] Iemand z'n zin geven.
- Doen wat iemand wenst.
Vertalingen
1. een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zinnen |
zin
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zinnen
- Ik zin.
- gebiedende wijs van zinnen
- Zin!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zinnen
- Zin je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.