vrij

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vrij
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vrij -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

Niet in de woordenlijst van de Taalunie (als zelfstandig naamwoord)
vrij m

  1. vrijloop
    Piet, gooi hem even in de vrij
stellend
onverbogen vrij
verbogen vrije
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vrij vrijer vrijst
verbogen vrije vrijere vrijste

Bijvoeglijk naamwoord

vrij

  1. niet de genoemde tekortkoming hebbend, niet onderhevig aan, ongevoelig voor, zonder b.v. accijnsvrij, loodvrij etc.
  2. ongebonden, niet in beweging beperkt
  3. beschikbaar
  4. gratis
  5. niet vallend onder of beperkt door een bepaald gezag, jurisdictie
  6. vrijmoedig
  7. (van onderwijs) niet van de overheid uitgaand, niet openbaar
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Antoniemen
Vertalingen

Bijwoord

Niet in de woordenlijst van de Taalunie (als bijwoord)
vrij

  1. tamelijk
Vertalingen


Werkwoord

vervoeging van
vrijen

vrij

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vrijen
    Ik vrij.
  2. gebiedende wijs van vrijen
    Vrij!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vrijen
    Vrij je?


Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl