vrij
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- vrij
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vrij | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
Niet in de woordenlijst van de Taalunie (als zelfstandig naamwoord)
vrij m
- vrijloop
- Piet, gooi hem even in de vrij
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | vrij |
| verbogen | vrije |
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | vrij | vrijer | vrijst |
| verbogen | vrije | vrijere | vrijste |
Bijvoeglijk naamwoord
vrij
- niet de genoemde tekortkoming hebbend, niet onderhevig aan, ongevoelig voor, zonder b.v. accijnsvrij, loodvrij etc.
- ongebonden, niet in beweging beperkt
- beschikbaar
- gratis
- niet vallend onder of beperkt door een bepaald gezag, jurisdictie
- vrijmoedig
- (van onderwijs) niet van de overheid uitgaand, niet openbaar
Verwante begrippen
- los, losbandig, onbelemmerd, onbezet, ontheven, open, vacant, vlot, vrijgesteld, vrijelijk
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Antoniemen
Vertalingen
1. ongebonden, niet in beweging beperkt
Bijwoord
Niet in de woordenlijst van de Taalunie (als bijwoord)
vrij
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| vrijen |
vrij
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vrijen
- Ik vrij.
- gebiedende wijs van vrijen
- Vrij!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vrijen
- Vrij je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.