vrijspreken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vrij·spre·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vrijspreken
sprak vrij
vrijgesproken
klasse 4 volledig

Werkwoord

vrijspreken

  1. (overgankelijk) onschuldig verklaren
    De verdachte van de schietpartij werd vrijgesproken.
Vertalingen