bel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Bel

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bel
enkelvoud meervoud
naamwoord bel bellen
verkleinwoord belletje belletjes

Zelfstandig naamwoord

bel v

  1. klok, schel, zoemer
    Hij hoorde de bel gaan en liep naar de deur om open te doen.
  2. (jachttaal) Falkenschelle
  3. rond ornament dat op het lichaam aangebracht wordt; oorbel
  4. (scheikunde) luchtblaas in water, zeepbel
  5. (geologie) grote hoeveelheid gas in de bodem
  6. (voeding) groot glas
  7. (muziekinstrument) een rond, schaalvormig metalen voorwerp in de vorm van een klok of halve bol al dan niet met klepel, bedoeld om een muzikale klank voort te brengen ter oproep of ten teken
  8. (natuurkunde) eenheid van geluidsintensiteit
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bellen

bel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bellen
    Ik bel.
  2. gebiedende wijs van bellen
    Bel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bellen
    Bel je?


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord bel belle

Zelfstandig naamwoord

bel

  1. bel, klokje.
  2. lel, bijvoorbeeld aan de keel van een kalkoen.
stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
bel
gebel
volledig

Werkwoord

bel

  1. bellen, aanbellen aan een deur.
  2. bellen, opbellen per telefoon.


Indonesisch

Zelfstandig naamwoord

bel

  1. bel
  2. deurbel
Woordherkomst en -opbouw
Synoniemen


Papiamento

Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs onvoltooid
deelwoord
voltooid
deelwoord
bel

-
-
gebel

klasse 4 volledig

Werkwoord

bel

  1. bellen, aanbellen.
  2. opbellen
Synoniemen



Woordherkomst en -opbouw
  • [1] Van het Nederlandse bel.
  • [2] Van het Nederlandse bil.
enkelvoud of
impliciet meervoud
expliciet meervoud
  bel     belnan  

Zelfstandig naamwoord

bel

  1. bel
  2. (met een andere uitspraak dan op Curaçao) dij, dijbeen
Schrijfwijzen
  • Schrijfwijze op Bonaire en Curaçao: bèl.