ruimte
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- ruim·te
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ruimte | ruimten ruimtes |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
ruimte v
- beschikbare uitgestrektheid, mate waarin iets ruim is
- Hij heeft er de ruimte.
- vertrek, kamer
- We kwamen in een ruimte die bedoeld was voor het houden van vergaderingen.
- heelal, universum
- De raket werd de ruimte ingeschoten.
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: de openbare ruimte / de publieke ruimte
de ruimte die voor iedereen toegankelijk is
Hyponiemen
- bagageruimte, bergruimte, expositieruimte, faseruimte, loonruimte, naamruimte, ondervragingsruimte, ontvangstruimte, raakruimte, scheepsruimte, tussenruimte, vectorruimte, zolderruimte,
Afgeleide begrippen
Vertalingen
3. heelal
de openbare ruimte / de publieke ruimte
|