klok
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- klok
Woordherkomst en -opbouw
- Van Middelnederlands clocke, vgl. Angelsaksisch clucge, Oudnoors klukka. Het Germaanse woord is mogelijk van Keltische oorsprong, vgl. Iers clog. Daar een onomatopee.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | klok | klokken |
| verkleinwoord | klokje | klokjes |
Zelfstandig naamwoord
- (natuurkunde) een instrument dat de tijd bijhoudt.
- Als je wil weten hoe laat het is kijk je maar op de klok.
- (muziekinstrument) belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons.
Vertalingen
1. (natuurkunde) een instrument dat de tijd bijhoudt