bil

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
De bil van een vrouw.
De bil van een man.

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bil
enkelvoud meervoud
naamwoord bil billen
verkleinwoord billetje billetjes

Zelfstandig naamwoord

bil v/m

  1. (anatomie) elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken aan de achterkant bedekken
    Ze ging met haar billen in het mos zitten.
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden

Iemand voor de billen geven.

  • Lijfstraf op de billen toedienen.

In zijn blote billen.

  • Naakt, bloot.

Met de billen bloot gaan.

  • Zijn fouten publiek maken.

Van bil gaan.

  • Geslachtsgemeenschap hebben.

Wie zijn billen (ver)brandt, moet op de blaren zitten.

  • Wie fouten maakt, moet met de gevolgen leven.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
billen

bil

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van billen
    Ik bil.
  2. gebiedende wijs van billen
    Bil!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van billen
    Bil je?

Meer informatie


Deens

Zelfstandig naamwoord

bil g

  1. auto
Verbuiging



En bil (DAF).
Een auto (DAF).
En bil (VW, 1956).
Een auto (VW, 1956).


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • bil
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

bil m

  1. (verkeer), (afkorting) auto, automobiel
    «Hver dag kjører flere tusen biler på norske veier uten ansvarsforsikring.»
    Elke dag rijden duizenden auto's op de Noorse wegen zonder verzekering.
Verbuiging
Afgeleide begrippen
Hyperoniemen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • bil
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

bil m

  1. (verkeer), (afkorting) auto, automobiel
Verbuiging
Afgeleide begrippen
Hyperoniemen


Zweeds

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

bil g

  1. auto
    «Vi har köpt en ny röd bil
    We hebben een nieuwe rode auto gekocht.
Verbuiging
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen