bellen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bel·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bellen
belde
gebeld
zwak -d volledig

Werkwoord

bellen

  1. (inergatief) de deurbel over laten gaan
    Kun jij even bellen aan de deur?
  2. door middel van een bel een signaal geven
  3. (overgankelijk) iemand opbellen, telefoneren naar iemand
    Ja, ik zal je straks weer bellen.
  4. door middel van een bel roepen
Vertalingen
klaveren ruiten harten schoppen
Bay eichel.svg Bay schellen.svg Bay herz.svg Bay gras.svg
eikels bellen harten bladeren

Zelfstandig naamwoord

bellen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bel
  2. (kaartspel) een van de vier Duitse kleuren in het kaartspel