bellen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bel·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bellen |
belde |
gebeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
bellen
- (inergatief) de deurbel over laten gaan
- Kun jij even bellen aan de deur?
- door middel van een bel een signaal geven
- (overgankelijk) iemand opbellen, telefoneren naar iemand
- Ja, ik zal je straks weer bellen.
- door middel van een bel roepen
Vertalingen
1. de deurbel over laten gaan
2. door middel van een bel een signaal geven
3. iemand opbellen, telefoneren naar iemand
4. door middel van een bel roepen
| ♣ | ♦ | ♥ | ♠ |
|---|---|---|---|
| klaveren | ruiten | harten | schoppen |
| eikels | bellen | harten | bladeren |
Zelfstandig naamwoord
bellen mv