water

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
1. Water in een glas

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wa·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • Verwant in Germaans:
Duits: Wasser
Engels: water
  • Verwant in Romaans:
Latijn: unda
Frans: onde
  • Verwant in Grieks:
Grieks: ὕδωρ
  • Verwant in Baltisch:
Litouws: vanduo
  • Verwant in Slavisch:
Oudkerkslavisch: вода
Russisch: вода
Bulgaars: вода
Oekraïens: вода
Macedonisch: вода
  • Verwant in Indo-Arisch:
Sanskriet: उदन्
1 en 2 enkelvoud meervoud
naamwoord water
verkleinwoord
3 tot 7 enkelvoud meervoud
naamwoord water waters
wateren
verkleinwoord watertje watertjes

Zelfstandig naamwoord

water o

  1. (scheikunde) een geurloze, kleurloze en smaakloze vloeistof waarvan de moleculen bestaan uit één atoom zuurstof en twee atomen waterstof (H2O)
    Een mens kan geen dag overleven zonder water.
  2. (meteorologie) regenwater; veel voorkomende neerslag
    Er viel zodanig veel water op korte tijd dat de riolen het niet meer aankonden.
  3. (enkel in het meervoud) stuk zee dat aan (g)een bepaald land toebehoort
    We bevinden ons nu in internationale wateren.
  4. natuurlijke bedding waarin zich water bevindt
  5. vloeistof in het lichaam
  6. doorzichtigheid of helderheid van een diamant
  7. golvende weerschijn van geweven stoffen
  8. obligatie zonder onderpand; leeg aandeel
Synoniemen
  1. [1] (informeel) eendenbier, gemeentepils
  2. [2] regen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen
Zie vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
wateren

water

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wateren
    Ik water.
  2. gebiedende wijs van wateren
    Water!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wateren
    Water je?

Meer informatie


Afrikaans

Uitspraak
  • IPA: /ˈvɑːtər/
enkelvoud meervoud
naamwoord water waters

Zelfstandig naamwoord

water

  1. water


Bislama

Zelfstandig naamwoord

water

  1. water


Engels

Uitspraak
  • IPA: /ˈwɔːtə(ɹ)/ (UK)
  • SAMPA: /"wO:t@(\r)/ (UK)
  • IPA: /ˈwɔtɚ/ (US)
  • SAMPA: /"wOt@`/ (US)
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudengelse wæter
enkelvoud meervoud
water waters

Zelfstandig naamwoord

water

  1. (scheikunde) water.
Uitdrukkingen en gezegden
  1. «Still waters run deep»
    stille wateren hebben diepe gronden
    «the waste of waters»
    troosteloze watervlakte
    «That story doesn't hold water
    Dat verhaal houdt geen steek.
vervoeging
onbepaalde wijs to water
he/she/it waters
verleden tijd watered
voltooid
deelwoord
watered
onvoltooid
deelwoord
watering
gebiedende wijs water

Werkwoord

water

  1. besproeien, besprenkelen.
    «Sally watered the roses.»
    Sally besproeide de rozen.
  2. water geven.
    «I need to go water the cattle.»
    Ik moet het vee water gaan geven.
  3. wateren, urineren.
    «He watered against the wall.»
    Hij plaste tegen de muur.
  4. tranen
    «Chopping onions makes my eyes water»
    Van uien te snijden gaan mijn ogen tranen.


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /waːtɐ(r)/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

water o

  1. water
Verbuiging


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

water

  1. water