water

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wa·ter
Woordherkomst en -opbouw
1 en 2 enkelvoud meervoud
naamwoord water
verkleinwoord
3 tot 7 enkelvoud meervoud
naamwoord water waters
wateren
verkleinwoord watertje watertjes

Zelfstandig naamwoord

water o

  1. (scheikunde) een geurloze, kleurloze en smaakloze vloeistof waarvan de moleculen bestaan uit één atoom zuurstof en twee atomen waterstof (H2O).
    Een mens kan geen dag overleven zonder water.
  2. regenwater; veel voorkomende neerslag.
    Er viel zodanig veel water op korte tijd dat de riolen het niet meer aankonden.
  3. (enkel in het meervoud) stuk zee dat aan (g)een bepaald land toebehoort.
    We bevinden ons nu in internationale wateren.
  4. natuurlijke bedding waarin zich water bevindt.
  5. vloeistof in het lichaam.
  6. doorzichtigheid of helderheid van een diamant.
  7. golvende weerschijn van geweven stoffen.
  8. obligatie zonder onderpand; leeg aandeel.
Synoniemen
  1. (vloeistof H2O)
  2. (regenwater)
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
wateren

water

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wateren
    Ik water.
  2. gebiedende wijs van wateren
    Water!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wateren
    Water je?

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
water waters

Zelfstandig naamwoord

water

  1. water


Bislama

Zelfstandig naamwoord

water

  1. water


Engels

Uitspraak
  • IPA: /ˈwɔːtə(ɹ)/ (UK)
  • SAMPA: /"wO:t@(\r)/ (UK)
  • IPA: /ˈwɔtɚ/ (US)
  • SAMPA: /"wOt@`/ (US)
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudengelse wæter.
enkelvoud meervoud
water waters

Zelfstandig naamwoord

water

  1. (scheikunde) water.
Uitdrukkingen en gezegden
  1. «Still waters run deep»
    stille wateren hebben diepe gronden
    «the waste of waters»
    troosteloze watervlakte
    «That story doesn't hold water
    Dat verhaal houdt geen steek.
vervoeging
onbepaalde wijs to water
he/she/it waters
verleden tijd watered
voltooid
deelwoord
watered
onvoltooid
deelwoord
watering
gebiedende wijs water

Werkwoord

water

  1. besproeien, besprenkelen.
    «Sally watered the roses.»
    Sally besproeide de rozen.
  2. water geven.
    «I need to go water the cattle.»
    Ik moet het vee water gaan geven.
  3. wateren, urineren.
    «He watered against the wall.»
    Hij plaste tegen de muur.
  4. tranen
    «Chopping onions makes my eyes water»
    Van uien te snijden gaan mijn ogen tranen.


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /waːtɐ(r)/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

water o

  1. water
Verbuiging
enkelvoud meervoud
geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind
nominatief water - waeterke - waeter - waeterkes -
genitief waters - waeterkes - waeter - waeterkes -
locatief wateres - watereske - waterese - watereskes -
datief watere - waeterke - waeter - waeterkes -
accusatief water - waeterke - waeter - waeterkes -



Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

water

  1. water
Persoonlijke instellingen