zoemer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zoe·mer
enkelvoud meervoud
naamwoord zoemer zoemers
verkleinwoord zoemertje zoemertjes

Zelfstandig naamwoord

zoemer m

  1. een apparaatje dat een signaal afgeeft in de vorm van een zoemend geluid
    Toen de zoemer ging was het examen afgelopen en leverden de leerlingen zuchtend hun werk in.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen