zoemer
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zoe·mer
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zoemer | zoemers |
| verkleinwoord | zoemertje | zoemertjes |
Zelfstandig naamwoord
zoemer m
- een apparaatje dat een signaal afgeeft in de vorm van een zoemend geluid
- Toen de zoemer ging was het examen afgelopen en leverden de leerlingen zuchtend hun werk in.