wijs

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wijs
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘verstandig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1201 [1]
  • In de betekenis van ‘manier’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1050 [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen wijs wijzer wijst
verbogen wijze wijzere wijste

Bijvoeglijk naamwoord

wijs

  1. van groot inzicht getuigend [3]
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord wijs wijzen
verkleinwoord wijsje wijsjes

Zelfstandig naamwoord

wijs m

  1. (muziek) een melodie
  2. (taalkunde) grammaticale categorie waarmee de relatie wordt aangegeven tussen een werkwoord en de werkelijkheid, modus
  3. wijze, manier [4]
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • iemand van de wijs brengen
iemand verwarren
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
wijzen

wijs

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wijzen
    • Ik wijs. 
  2. gebiedende wijs van wijzen
    • Wijs! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wijzen
    • Wijs je? 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen