eigenwijs

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ei·gen·wijs
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen eigenwijs eigenwijzer eigenwijst
verbogen eigenwijze eigenwijzere eigenwijste
partitief eigenwijs eigenwijzers -

Bijvoeglijk naamwoord

eigenwijs

  1. (te) overtuigd zijn van het eigen gelijk
    • De eigenwijze oude man wilde niet naar de adviezen van de welwillende verpleegster luisteren. 
  2. eigenaardig-grappig vooral als het gaat om kinderen
    • Het eigenwijze kind deed lekker niet wat zijn overbezorgde moeder zei dat het moest doen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen