wijsvinger

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wijs·vin·ger
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wijsvinger wijsvingers
verkleinwoord wijsvingertje wijsvingertjes

Zelfstandig naamwoord

wijsvinger m

  1. (anatomie) tweede vinger, gelegen tussen de middelvinger en de duim
    • Tijdens zijn volgende verlof was Cécile er dromerig en betoverd met het puntje van haar wijsvinger overheen gegaan, wat Alberts stemming er niet beter op had gemaakt. [1] 
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • Met het wijsvingertje klaarstaan.
Iemand vermanen.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 16