vlees

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[2] Vlees.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vlees
enkelvoud meervoud
naamwoord vlees vlezen
verkleinwoord vleesje vleesjes

Zelfstandig naamwoord

vlees o

  1. (anatomie) spierweefsel van bepaalde organen
  2. (voeding) spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
vlezen

vlees

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlezen
    • Ik vlees. 
  2. gebiedende wijs van vlezen
    • Vlees! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlezen
    • Vlees je?