vleesmolen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

vleesmolen
Uitspraak
Woordafbreking
  • vlees·mo·len
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vleesmolen vleesmolens
verkleinwoord vleesmolentje vleesmolentjes

Zelfstandig naamwoord

vleesmolen m [1]

  1. (huishouden) apparaat waarmee men brokken vlees kan vermalen om er worst, gehakt en dergelijke van te maken
     In Noorwegen had papa haar altijd geholpen, hij had bij de vleesmolen gestaan en daar de aardappelen handmatig doorheen gedraaid, met zoveel kracht dat het tafelblad na afloop diepe sporen vertoonde op de plek waar de molen vastgeschroefd had gezeten.[2]
     Koeien uit natuurparken verdwenen tot voor kort in de gewone vleesmolen. Vleeshandelaren hadden er weinig speciale belangstelling voor. Zonde van dat mooie vlees, dachten Staatsbosbeheer en een aantal boeren.[3]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Johan Harstad (vert. Edith Koenders en Paula Stevens) “Max, Mischa & het Tet-offensief” (2017), Podium op Wikipedia, ISBN 9789057598500
  3. Bronlink geraadpleegd op 20 februari 2022 Weblink bron “Limburgs 'Natuurvlees' steeds populairder” (20-12-2014), NOS