vleeshaak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Vleeshaken bij een slager
Uitspraak
Woordafbreking
  • vlees·haak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vleeshaak vleeshaken
verkleinwoord vleeshaakje vleeshaakjes

Zelfstandig naamwoord

vleeshaak m [1]

  1. haak waaraan (gedeelten van) geslachte dieren hangen bij een slagerij
    • Dat het hier om vlees gaat, daar kan geen twijfel over bestaan. Naast de voordeur zit de ‘slagerij’: een grote glazen klimaatkamer waar kwart koeien aan vleeshaken hangen. Beneden bevindt zich de The Roast Bar, een brasserie met simpeler gerechten. Het restaurant op de eerste verdieping is een grote glazen zaal met uitzicht naar drie kanten. Het ziet er gelikt uit, donkerblauw plafond, gebrokenwitte tegeltjes, koperkleurige verlichting en lange rijen keurig gerangschikte tafeltjes ingedekt met wit linnen.[2] 
  2. gebroken draad in staalkabel
    • Prikkeldraad is een staalkabel met veel vleeshaken. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Joël Broekaert 9 april 2016
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be