vleis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Achterhoeks

Zelfstandig naamwoord

vleis

  1. (voeding) vlees; spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding


Afrikaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord vleis -

Zelfstandig naamwoord

vleis

  1. vlees
    «Die manskappe is van groente, vleis en melk voorsien.»
    De manschappen zijn van groente, vlees en melk voorzien.


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

vleis

  1. (voeding) vlees; spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
Schrijfwijzen


Veluws

Zelfstandig naamwoord

vleis

  1. (voeding) vlees; spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding