trappen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trap·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘de voet neerzetten, schoppen’ voor het eerst aangetroffen in 1470 [1] [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
trappen
trapte
getrapt
zwak -t volledig

Werkwoord

trappen

  1. overgankelijk een voet met vaart tegen iets of iemand aan bewegen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

trappen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord trap

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen