natrappen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·trap·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
natrappen
trapte na
nagetrapt
zwak -t volledig

Werkwoord

natrappen

  1. een trap na geven.
    • "Ronaldinho krijgt rood voor natrappen" 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.