betrappen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·trap·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het verouderde trap (val) met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
betrappen
betrapte
betrapt
zwak -t volledig

Werkwoord

betrappen

  1. overgankelijk iemand ~: getuige worden van het feit dat iemand iets (verbodens) doet en wat verborgen had moeten blijven
    • De dief werd door de politie op heterdaad betrapt. 
    • De man werd betrapt op het rijden door rood licht. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.