trapas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

trapas met cranks, pedalen en voorste kettingblad
Uitspraak
Woordafbreking
  • trap·as
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord trapas trapassen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

trapas v/m [1]

  1. (techniek) deel van een fiets waaraan de trappers zijn bevestigd d.m.v. de cranks en het voorste kettingblad
    • ‘Wat wij als trainers zo veel mogelijk proberen te doen, is iemands conditie omzetten in objectieve data’, begint Wim Van Hoolst. Hoeveel kracht moet iemand leveren om een bepaalde prestatie te leveren? Dat is de hamvraag. Het toverwoord blijkt vermogen te zijn. ‘Op de fiets van iedere profrenner hangt een vermogensmeter’, vertelt Van Hoolst. ‘Meestal zitten die op de trapas of de pedalen. Vermogensmeters zijn sensoren die de kracht meten die de renners uitoefenen. Die kracht wordt vermenigvuldigd met de trapfrequentie, waarna de renner op zijn computer zijn geleverde vermogen, uitgedrukt in wattage, ziet.’[2] 
    • Bij fietsendiefstal is het altijd van belang om aangifte te doen bij de politie. Bij aangifte vraagt de politie naar het framenummer van de fiets, zonder dit nummer is de kans klein dat de fiets teruggevonden wordt. Meestal is dit nummer te vinden in de buurt van de trapas van de fiets. Fietsen zonder framenummer kunnen vrijdag een gratis framenummer krijgen.[3] 
    • Lang bleef de ideale kasseienmachine een flauw gemodificeerde racefiets: een wat langere wielbasis en een iets dieper liggend zwaartepunt – de trapas.[4] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Anagrammen
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

52 % van de Nederlanders;
36 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 20 JULI 2017
  3. Tubantia 17-OKTOBER-2017
  4. NRC Peter Winnen 11 april 2017