intrappen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·trap·pen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

intrappen [2]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
intrappen
trapte in
ingetrapt
zwak -t volledig
  1. met geweld openen met name van een deur
    • De politieagent trapte met één welgemikte schop de deur in om de oude vrouw uit het brandende huis te redden. 
  2. een als grap bedoelde onwaarheid geloven
    • De goed gelovige man trapte ieder jaar weer in de 1 aprilgrap die zijn vrouw voor hem bedacht. 
  3. indrukken van een pedaal met de voet
    • De man wilde eens lekker opschieten en trapte dus het gaspedaal eens flink in. 
  4. iets kapot stampen
Uitdrukkingen en gezegden
  • een open deur intrappen
met nadruk iets zeggen waar iedereen het al over eens is
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen