traproede

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trap·roe·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord traproede traproedes
traproeden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

traproede v/m [1]

  1. een ijzeren staaf waarmee men een traploper op de trap bevestigt
    • De derde hoofdpersoon is Dirks schaakvriend Niels, bij wie het gebrek aan levensvervulling tweeledig is: een dominee die niet in God gelooft, gevangen in een huwelijk zonder seks. Zijn val is huiselijk: een loszittende traproede. [2] 
    • Leert een kind nu op school nog dat hij glaswerk eerst in lauw zeepsop moet afwassen, met warmer water moet naspoelen en “dadelijk moet afdrogen met een daarvoor bestemden niet pluizigen doek?” Maar wat zou hij zich daarom drukmaken? De afwasmachine levert toch zeker moeiteloos de glanzendste aller vaten af? Leert hij peper in hoekjes van kasten te strooien (tegen motten)? Weet hij dat terpentijn in de kleerkast tegen muizen helpt? En de moeders, hebben die nog een echte schrobber in huis (in plaats van een mop)? Poetsen die de traproeden, zoals de Practische Huisvrouw het leert? Of doen hun werksters dat? [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
60 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen