orde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • or·de
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘regelmatige plaatsing, geregelde toestand’ voor het eerst aangetroffen in 1350 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord orde ordes
orden
verkleinwoord ordetje ordetjes

Zelfstandig naamwoord

orde v

  1. gewenste regelmaat
    • Hij bracht zijn zaken op orde. 
    • Ze moesten een noordoostelijke lijn volgen, daar op tweehonderd meter wat doorknippen, vervolgens naar de tweede rij prikkeldraad kruipen, een blik werpen en terugkeren met de woorden dat alles in orde was, omdat er nu eenmaal niets te zien was. [3] 
  2. een hiërarchische organisatie
    • Hij was de stichter van deze orde. 
  3. (biologie) een groep verwante organismen, onderdeel van een klasse en bestaande uit families
    • Knaagdieren zijn een orde van de zoogdieren. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Meer informatie

Verwijzingen