signaal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sig·naal
enkelvoud meervoud
naamwoord signaal signalen
verkleinwoord signaaltje signaaltjes

Zelfstandig naamwoord

signaal o

  1. een vorm van informatie met een genormeerde betekenis, bv. het geven van een afgesproken teken
    Het getoonde signaal gaf aan dat de wedstrijd begon.
  2. een vorm van informatie waarvan de betekenis nog onduidelijk is
    De signalen uit de financiële wereld geven te denken.
  3. (natuurkunde), (astronomie) elektromagnetische straling die afkomstig is van een kosmische bron
    Men denkt dat het signaal van een snel ronddraaiende ster zoals een pulsar, afkomstig is.
  4. (natuurkunde), (elektronica), de elektrische spanning of stroom die afkomstig is van een detector, een microfoon, videocamera, dvd-speler, pc, sensor enz.
    Er zijn tegenwoordig veel bewerkingen van het signaal mogelijk.
    meer algemeen: analoge of digitale (elektrische) representaties van tijdsafhankelijke natuurkundige grootheden
  5. (natuurkunde), (elektronica) de elektromagnetische (draag-) golf die afkomstig is van een radiozender (omroep, gsm enz.)
    Het signaal van de satelliet is maar zwak, maar dat kan met een schotelantenne voldoende worden versterkt.
  6. (medisch) de informatie die van de zintuigen naar de hersenen wordt overgebracht
    Het oog zet het licht en de kleurinformatie om in een signaal dat via de oogzenuw naar de hersenen wordt geleid.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen