scheppen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schep·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
scheppen
'sxɛ.pə(n)
schiep
sxip
geschapen
ɣə'sxa.pə(n)
klasse 7 volledig [A]
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
scheppen scheppend
schepping geschapen
schepsel
schepper

Werkwoord

[A] scheppen

  1. overgankelijk het doen ontstaan uit niets
    • In het begin schiep God de hemel en de aarde. 
    • Met deze opmerking schiep hij wat meer duidelijkheid. 
     Een kwetsbaarheid die ruimte schept zodat deuren eerder voor hem opengaan.[5]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
scheppen
ˈsxɛ.pə(n)
schepte
ˈsxɛp.tə
geschept
ɣəˈsxɛpt
zwak -t volledig [B]

Werkwoord

[B] scheppen

  1. overgankelijk met een lepel of spaan een hoeveelheid materiaal uit een vat naar boven halen
    • Hij schepte wat soep uit de pan. 
  2. overgankelijk in een aanrijding op het voertuig doen belanden
    • De voetganger werd door een auto geschept, maar raakte wonder boven wonder nauwelijks gewond. 
Synoniemen
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
scheppen scheppend
schep geschept
schop
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

scheppen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord schep

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen