scheppen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schep·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • [A] was oorspronkelijk een werkwoord van klasse 6.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
scheppen
'sxɛ.pə(n)
schiep
sxip
geschapen
ɣə'sxa.pə(n)
klasse 7 volledig

Werkwoord

[A] scheppen

  1. (overgankelijk) het doen ontstaan uit niets
    In het begin schiep God de hemel en de aarde.
    Met deze opmerking schiep hij wat meer duidelijkheid.
Synoniemen


naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
scheppen scheppend
schepping geschapen
schepsel
schepper
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
scheppen
'sxɛ.pə(n)
schepte
'sxɛp.tə
geschept
ɣə'sxɛpt
zwak -t volledig

Werkwoord

[B] scheppen

  1. (overgankelijk) met een lepel of spaan een hoeveelheid materiaal uit een vat naar boven halen
    Hij schepte wat soep uit de pan.
  2. (overgankelijk) in een aanrijding op het voertuig doen belanden
    De voetganger werd door een auto geschept, maar raakte wonder boven wonder nauwelijks gewond.
Synoniemen
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
scheppen scheppend
schep geschept
schop
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

scheppen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord schep