schep

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schep
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schep scheppen
verkleinwoord schepje schepjes

Zelfstandig naamwoord

schep

  1. m, v: (gereedschap) lepelvormig werktuig waarmee een hoeveelheid vast materiaal verplaatst kan worden
    Hij pakte een schep en haalde wat kolen uit het hok.
  2. m: de hoeveelheid materiaal die men met #1 verplaatst
    Hij deed twee scheppen suiker in de koffie.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
scheppen

schep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scheppen
    Ik schep.
  2. gebiedende wijs van scheppen
    Schep!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scheppen
    Schep je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl