oprapen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·ra·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
oprapen
raapte op
opgeraapt
zwak -t volledig

Werkwoord

oprapen

  1. overgankelijk in de hand nemen en van de grond opheffen
    • Hij raapte de gevallen spijkers op. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.