schepping

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schep·ping
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schepping scheppingen
verkleinwoord (scheppinkje) (scheppinkjes)

Zelfstandig naamwoord

schepping v

  1. iets nieuws dat uit het niets gemaakt is
  2. (religie) het heelal zoals dat door God uit het niets gemaakt is
     Alsof hij zich verantwoordelijk voelde voor de hele schepping, verontschuldigde hij zich voor de argwaan in de moderne wereld, die hem ertoe verplichtte bepaalde formaliteiten in acht te nemen, maar hij verzekerde mij dat we daar later nog een geschikt moment voor konden vinden, wanneer ik zou zijn uitgerust van mijn verplaatsing.[1]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 14
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be