opscheppen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·schep·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opscheppen
schepte op
opgeschept
zwak -t volledig

Werkwoord

opscheppen

  1. overgankelijk voedsel uit een schaal of pan op een bord doen
    • Schep jij even wat aardappelen op? 
  2. inergatief aangedikte beweringen slaken
    • Hij heeft vreselijk op zitten te scheppen over zijn huizenbezit in Amerika, maar nu kijkt hij maar treurig. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen